Het zonconflict.

Blanke man met hoedje gesignaleerd. Ik voel een blik van ogen in mijn richting. Geen ogenblik. Wel regelmatig. Herhalend. Ik kom tot het besef dat mijn spierwitte benen angst aanjagen. Een soort terrorisme op de zeedijk. Het stond waarschijnlijk in een krant. Van horen zeggen. Het is overal. ‘Wees argwanend, bezorgd, verbitterd en vooral lach niet’ wordt als boodschap zorgvuldig verspreid aan de poorten van de gemeenschapshuizen.

Ik draag dan ook een hoedje ter bescherming van de zon, heb niet dezelfde leeftijd als de meerderheid en wordt achtervolgd door een walm van zonnebrandolie factor 50, dat er voor moet zorgen dat mijn vel niet op mijn haarkleur gaat lijken. Ik geef toe dat deze combinatie aangevuld met witte sportschoenen en witte kousen, die nochtans netjes afgesneden werden boven de schoenrand, in tegenstelling zijn met de algemeen aanvaarde modetrend van zwarte kniekousen in sandalen. Het is voor mij even nieuw als voor de toeschouwers, deze zon. Ik moet er aan wennen, net als de zon aan mij, die zich meer schuilhoudt achter de wolken dan ik zelf. Ik durf al eens buiten komen, mijn grenzen te verleggen.

Er moeten wat toegevingen zijn van alle partijen. Dus ook van de kijkers die hun wenkbrauwen beter trainen dan hun knokige knieën. Terwijl de ene wenkbrauw neerwaarts gaat en de andere synchroon opwaarts, lachen de eigenaars elkaar toe. Ik ben blij, toch een enkele glimlach te ontwaren op de zeedijk die toch een plek van algemene vreugde zou moeten kunnen zijn.

Verbloemen of gewoon bloemen.

De bloemenmeisjes die het podium betreden om de winnaars te kussen. Dat was mijn grote doel om een fiets aan te schaffen. Terwijl iedereen voor de buis hing, met een pint in de hand, luisterend naar de landschapsbeschrijvingen, ging ik fietsen. Nostalgisch denk ik er aan terug. Familiaal. Verruimend. Iconisch. Episch zou het woord in deze tijd zijn.

Ik heb de testrit van de ronde gereden, in enkele dagen weliswaar. Schoon eigenlijk. Ik ben geen geoefend fietser. Ik weet waar de pedalen staan. Ik ken de volgorde van handelingen. Meer leek mij niet nodig. Of ik de finish op tijd zou halen durfde ik niet in te schatten. Rijdend plassen ook niet. Daarvoor ben ik gestopt onderweg. Ik heb mijn tijd genomen, ik kon echt van het landschap genieten. Een glooiend landschap met een opkijkende kerktoren, wat verdwaalde kippen, paardenbloemen en distels.
Daar stond ik in.
Ik was gelukkig al over de helft. Toch wel nog de helft dus. Met van die distelbeetjes in de benen. Krabben en fietsen, geen overwinnende combinatie. Stampen. Krabben. Stampen. Krabben.

De bloemenmeisjes kon ik in ieder geval vergeten. Misschien. De kilometers die al in de benen zaten wilden zich niet laten kennen. Dus ging ik door. Ik stopte opnieuw. Ik herinnerde me een goeie raad van mijn oma. Pipi helpt het jeuken stoppen.
Ik had nog wat over en probeerde, tegen de wind in.
Heerlijk. Het hielp. Ik plukte wat wilde bloemen rond mij, sprong op de fiets en zocht een bloemenmeisje.

Olympisch vendelen

De Vlaamse vlag weegt lichter dan de Belgische. Moet de reden zijn dat de Vlamingen het zwaaien beter onder de knie hebben. Ik beken dat ik het vendelen maar één keer geprobeerd heb. Een activiteit van de KLJ, ik was zestien. In het kader van een oogstfeest. Je kent dat wel. In augustus halen ze de tarwe, mais of andere gewassen binnen en dan is er feest op het platte land met kermissen, tenten, orkesten, fanfares en de vlaggen! Van het land, de provincie, de gemeente en het dorpsschild.
Op muziek, in formatie en in uniform zwaaide ik met een grote neutrale vlag. Kleurig en kleurloos tegelijkertijd. Vooraan de ervaren vendeliers. Achteraan fietsten de beginners, volgelingen, het peloton en ik.

Over peloton gesproken. Overal langs Vlaamse wegen komt men al eens een koerswedstrijd tegen. Met een grote samenhorigheid staan de verschillende supporters langs de kant van de steenweg of het patattenveld. In vol ornaat overtuigend te vlaggen. Op de luchtbeelden kan ik dat goed zien. Duizenden gele vlagjes, een groene vlag op kop, een rode aan het gat. Dichter kom ik niet. Ik durf niet naar de koers te kijken langs de weg, met mijn gebrek aan ervaring. Ik mag er niet aan denken dat mijn amateurisme de reden is dat een fietsende volksheld de controle verliest en de straatstenen boven de finish moet kiezen.

Thuis neem ik de verantwoordelijkheid voor mijn handelingen. Een dweil halen voor het omgestoten bierflesje. De stofzuiger optrommelen om de borrelnootjes terug in het gareel te krijgen. Een stok in de wielen steken, doe ik enkel om het vehikel af te sluiten tegen diefstal.
Ik zou niet meer met mezelf kunnen leven. Ik bewonder al die supporters die het lef hebben dit wel te doen. Zonder enige schroom staan zij dicht bij hun helden. Nonchalant, zonder zorgen. Snel een duwtje in de rug of een positieve tik op de poep van hun favoriet. Het is schoon om te zien. Op televisie.

Als we het vlaggen nu een sportieve discipline noemen. Kunnen wij, Belgen misschien een grote stap dichter bij medailles op de Olympische spelen komen. De Vlamingen zijn alvast geoefende lichtgewichten. Ik haal een Belgische vlag en begin te oefenen. Direct het zware geschut. Goed voor de armspieren. Ik zoek het best een open plek. Niet in de living of in de kelder, daar gebeuren de ongelukken. Als ik buiten train, kan iedereen gelijk mee doen. Als het kriebelt moet je sporten. Op een gezond en winnend België!

 

Magnetische danssensatie

Dansmuziek is afkomstig uit de moderne geneeskunde. Bedacht ik me tijdens een kort verblijf onder een magnetische scanner, NMR of MRI genaamd. Mijn knie had op een enthousiast actief moment tijdens de lancering van mijn zeer korte danscarrière beslist in elkaar te zakken, waardoor in een soort sneeuwbaleffect mijn elleboog uit de kom werd gekatapulteerd. Dat laatste herstelt. In een knie kijken vraagt wat meer expertise. Als jongen wou ik al zo’n bril waarmee je door de kleren van de meisjes kon kijken. Niet te krijgen in de handel.

‘Een kleine 15min niet bewegen’ zei de verpleger. Bewegen zou er kunnen voor zorgen dat ik gestraft werd en opnieuw moest beginnen, maakte ik mezelf wijs. Probeer met die gedachte maar eens stil te liggen. Het draagvlak waar ik op lag, schoof in een witte koker, zoals je wel eens in één of andere sciencefiction film hebt gezien waar ze onderzoek doen op buitenaards leven. Waar dat wezen dan in uiteenspat. Lig stil en negeer het, hoorde ik mezelf denken.
Een koptelefoon kreeg ik ook, weliswaar zonder muziek.

Toen kwam het. Ik waande me backstage op Tomorrowland. Het kon in principe overal zijn, op een toilet in een danscafé of gewoon net buiten het feestgedruis. Dat moment dat je onrechtstreeks verbonden bent met een muziekinstallatie waar gedanst wordt op techno of house. Muziek gebrouwen door elektronische apparatuur. Datzelfde gedreun.

Doffe bassen en vreemde frequenties golfden ritmisch door de ruimte. Eerst traag voor de openingsdans, daarna sneller als de sfeer er in kwam. Ik voelde mijn lichaam dat dans idee wel aannemen. Een pintje pakken aan de bar. De toon was gezet, ik miste enkel nog wat melodie. ‘Niet bewegen’ galmde plots door mijn hersenpan. Het was dan ook nog zeer vroeg in de ochtend. Bij het openen van de ogen werd ik onmiddellijk terug geconfronteerd met de locatie waar ik mij bevond. Een steriele witte ziekenhuiskamer.

Het eerste levend weefsel zou gescand zijn in de jaren ‘70. Het is goed mogelijk dat Derrick May een hersenscan heeft gehad voor hij in de jaren ‘80 zijn eerste technoplaat uitbracht.

 

try out

Ik twijfel nog even wat mijn eerste bericht zal zijn. Twijfelen is goed denk ik. De pagina is gemaakt, nu nog inhoud. Hoe moeilijk kan het zijn. Dus binnenkort. En dan misschien meer. Of minder. Komt die onzekerheid er terug. Misschien of niet. Dus Binnenkort. Binnenkort dus. Binnenkort.