Zag twee beren broodjes smeren.

Zou het helpen mochten we allemaal berenpakken dragen? Een fluffy velletje op de droge mensenhuid. Met een fleece dekentje in de zetel is het toppunt van gezelligheid. Ik beken.

In de bioscoop werd de fictie, realiteit. Bij het zien van hondenpuppies die onrecht werden aangedaan, reageerden mensen met open mond en bijna schreeuwend dat zoiets toch niet kan. In een later stadium in de film werd een jongentje van vijftien hard geslagen door zijn vader en niemand gaf nog een kick. De confrontatie is groot. Niet omwille van de reacties tijdens de film, daar horen ze sowieso niet. Analyses en chips zijn voor nadien, maar dat is een andere kwestie.

Ik kijk rond mij en zie overal mensen, ongerust over hun katten en honden terwijl een andere mens met dezelfde soort strakke huid wordt geslagen door een soortgenoot. Het is wereldnieuws als een man zijn trouwe viervoeter redt uit een kolkende waterstroom. Ik laat een traan voor de sfeervolle muziek die onder het videootje werd gemonteerd. Dat andere filmpje waar duizenden mensen in India in een gelijkaardige maar dodelijke strijd zijn verwikkeld met water en wind, swipe ik weg onder het mom dat er teveel onrecht is en ik het leven liever positief wil bekijken.

Ik sluit het raam om de wind niet te voelen, de ogen om de omgeving niet te zien. Ik beeld me in dat de mensen op straat hun onesies dragen. Het bestaat, want het staat op internet. Mensen dragen het vooral in huiselijke sferen.
Een man met een sip gezicht in een donzige onesie zit nog geen minuut in de drukke winkelstraat met zijn kartonnen bekertje en wordt direct omringd door andere onesies die hem willen knuffelen en helpen. In tegenstelling tot het mensengoed vinden we de bruine beer gezelliger en leuker.

‘kijk, hoe snoezig’ hoor ik mezelf zeggen, als een onschuldig klein hondje spartelend tegen mijn been plast. ‘nee, hoor het is niet zo erg, dat beestje kan er weinig aan doen’. Iets later loopt een peuter keihard tegen me aan, de ouders staan iets verder rustig een sigaretje te roken en ik loop direct vol met vooroordelen. De onschuld van dit kind telt niet eens mee. Diezelfde situatie met allemaal donzige berenpakken en we staan gezellig elkaar toe te lachen en te besnuffelen.

De wegwijsbril.

‘Wat baten kaars en bril, als den uil niet zien wil’ zei meester Carlos regelmatig in de klas van de lagere school, waar ik als een kerkuil naar het schoolbord zat te staren zonder te pinken. Dit gezegde heb ik om één of andere reden blijven onthouden. De visualisatie van het spreekwoord in het decoratieve glasraam aan de muur kan daar een rol bij hebben gespeeld.
Meneer Carlos was een fervente duivenmelker, kampioen in bolderen en een meester in het lesgeven aan snotneuzen zoals ondergetekende. Zijn wereld was beperkt tot het dorpsleven maar om een mens en zijn handelingen te herkennen hoef je geen grenzen over te steken noch te evolueren in tijd.

Voor een theaterfestival aan zee probeer ik al enkele jaren de signalisatie tot een goed einde te brengen. Signalisatie en pictogrammen leiden de mens rond in zijn bestaan. In mijn geval leidt dit tot een locatie waar iets staat te gebeuren.

Overal waar je komt in de beschaafde wereld, is er je iemand voor geweest en probeert die iemand via bordjes de nieuwe passant te behoeden van eerder gemaakte blunders. Het heeft als doel een hulpmiddel te zijn, niet het absolute ultieme enige juiste antwoord. Er zijn weinigen die er oog voor hebben, wel een oordeel.

De keren dat een voorbijganger met een vers ontwikkelde bult op het voorhoofd vloekend tegen een deur stampt, omdat die het woord ‘Trekken’ niet heeft gelezen op ooghoogte toen hij in volle vaart duwend zijn weg wou voortzetten, zijn niet te tellen op één hand.
Ik heb ook al met mijn rug naar de kerktoren het uur gevraagd aan een voorbijganger, dus ik ben niet vrij van alle zonden. Ik probeer signalisatie zo correct mogelijk te plaatsen. Proberen is dat werkwoord dat ik gebruik omdat slagen niet altijd mogelijk is. Ik moet rekening houden met heel wat onvoorbereide omstandigheden. Van de gebruiker, gekend als de lezer, de ontvanger, verwacht ik dan een kleine vorm van basis intelligentie bij het gebruik of volgen daarvan.

Ik heb het geprobeerd; intelligente pijlen, met digitale hypermoderne futuristische sturingen die de persoon in kwestie lokaliseren en inspelen op de reacties van de gebruikers. Na uitgebreide tests bleek het weinig verschil te maken met niet-intelligente pijlen. De ordinaire pijl die aangeeft welke richting gevolgd dient te worden.

De grootste hindernis blijft de gebruiker die niet wil kijken. Zijn of haar denken overmeestert het kijken en het oordeel is sneller geveld dan de projectie op het netvlies. Meester Carlos heeft met zijn spreekwoord nog steeds gelijk en hiermee het laatste woord.

 

brilfoto

Mensenzeemensen.

Mensenmassa is fan van confetti en swaffelen, blijkt uit een ervaring waar ik meestal niet in mee stap. Deze keer had ik geen keus. Ik moest in mijn eentje aan de rand van de put blijven staan of mijn gezelschap vervoegen in de meute. Het werd het tweede. De reden waarom ik meestal backstage vertoef of een VIP ruimte verkies, waar ik voor alle duidelijkheid niet word voor uitgenodigd, heeft niets te maken met een eigendunk, maar alles met een constante ongemakkelijkheid om te zwemmen in een mensenzee.

Ik kan zwemmen, zelfs zonder bandjes. Als het mee zit zwem ik gemakkelijk 750m. Opnieuw niets met eigendunk te maken en in vergelijking met de massa zal dit wel beneden het normale niveau zijn. Toch, dat is mijn niveau. Dat is mijn kunnen en mijn eigen beslissing.

Op festivals en festiviteiten, zwem ik dan weer minder graag, dan heb ik nood aan bandjes en ademruimte. Nochtans heb ik met mijn lengte eerder een voordeel om in de massa te verblijven, de koelte te bewaren en een snellere verbinding met zuurstof te onderhouden. Het overzicht bewaren is ook handig. Ik weet altijd onmiddellijk alle nooduitgangen zijn, omdat ik ze kan zien, maar ook omdat ik ze wil zien. Ik heb iets met signalisatie, maar dat is een ander dingetje.

Het ligt me niet. Het moet wel één van de redenen geweest zijn dat ik altijd op een festival heb gewerkt. Mijn vrijheid bewaren en er op een zekere manier toch bij kunnen horen.

Gelukkig ben ik een uitzondering. Mensen houden van de confetti die hen verenigt en een vorm van idealisme naar boven brengt, waar ze samen kunnen over chatten en dansen. Dansen is goed. Lachen is goed. Gelukkig, word ik er wel van, dat een festival zoveel mensen gelukkig maakt. Ik ben er graag bij, dat is zeker. Het is een topseizoen voor de betere zwemmers. Ik ga mijn bandjes blazen en aan de rand van het zwembad staan, swaffelend met de omheining om in mijn eigen ruimte op de knop van het confetti kanon te kunnen duwen.

 

copacobana

De broodzakker.

Hoe vroegere zuinigheid de eigenlijk echte voorbode van ons ecologisch denkpatroon is of zou kunnen zijn of zou moeten zijn. De meeste hipster dingen komen van vroeger. Behalve het vroeg opstaan, dat zit er nog niet bij, geloof ik.
Dingen die ik bewaarde op zolder en uiteindelijk via niet verkochte goederen op de rommelmarkt in het containerpark belandden, zijn nu zaken waar je goed je brood mee kan verdienen. Iedereen wil dingen terug van vroeger omdat ze garant staan voor kwaliteit, of gewoon omdat het zeldzaam is, of omdat iemand ze hip heeft gemaakt. Zelf ben ik niet zo op zoek naar vintage meubilair, harde oranje stoelen en schurende vilten zetels. Doch kan ik me wel vinden in enkele gebruiken die eerder uit financiële noodzaak werden gehanteerd, zoals de herbruikbare broodzak. Op zich is dat geen specialer type dan de zak die we allemaal kennen, alleen wordt die opnieuw ingezet na gebruik.
Ik denk er vaak aan, als ik bij de bakker kom en een gesneden brood bestel.

Op zondagochtend moest ik als kind regelmatig versterking leveren in de kruidenierswinkel met koude bakker van mijn ouders.
Net voor het ochtendprogramma van Samson en Gert was het druk. Heel het dorp wou brood en koeken, één van de weinige tradities die wij hebben op zondag. Met halfopen ogen moest ik; vriendelijk groeten, het juiste brood nemen, in de snijmachine duwen en leveren in een zak. Diezelfde zak werd door de oudere generatie aangeboden om te hergebruiken. Met gebogen rug haalden ze de broodzak uit hun draagtas. Hipsters avant la lettre waren het. De enige reactie, die toen mocht uitgesproken worden, was dat het gierige pinnen waren, omdat ze die 2cent voor de zak niet wilden betalen. Altijd netjes opgevouwen, bijna platgestreken werd het bij de bestelling meegegeven. Het voelde zo lekker gebruikt. Zoals papier, dat beschreven veel leuker aanvoelt dan een vers blad. Het had een zachtheid die we nu niet meer kennen.

Mijn herbruikbare winkeltas staat klaar om te winkelen. De broodzak netjes opgevouwen, stapelt zich op de andere netjes opgevouwen broodzak en wacht thuis tot de nieuwe broodzak de stapel komt vervoegen. De gewoonte zit nog niet in mijn vingers. En al helemaal niet in mijn hoofd die deze gewoonte moet helpen onthouden. Ik wou dat dit sneller hip werd, dan zou mijn inspanning niet vervallen in een rare gewoonte. Dan kan ik eindelijk wat mee zijn met de tijd. Hoe trots zou mijn oma zaliger nu niet zijn.

IMG_1727

Het zonconflict.

Blanke man met hoedje gesignaleerd. Ik voel een blik van ogen in mijn richting. Geen ogenblik. Wel regelmatig. Herhalend. Ik kom tot het besef dat mijn spierwitte benen angst aanjagen. Een soort terrorisme op de zeedijk. Het stond waarschijnlijk in een krant. Van horen zeggen. Het is overal. ‘Wees argwanend, bezorgd, verbitterd en vooral lach niet’ wordt als boodschap zorgvuldig verspreid aan de poorten van de gemeenschapshuizen.

Ik draag dan ook een hoedje ter bescherming van de zon, heb niet dezelfde leeftijd als de meerderheid en wordt achtervolgd door een walm van zonnebrandolie factor 50, dat er voor moet zorgen dat mijn vel niet op mijn haarkleur gaat lijken. Ik geef toe dat deze combinatie aangevuld met witte sportschoenen en witte kousen, die nochtans netjes afgesneden werden boven de schoenrand, in tegenstelling zijn met de algemeen aanvaarde modetrend van zwarte kniekousen in sandalen. Het is voor mij even nieuw als voor de toeschouwers, deze zon. Ik moet er aan wennen, net als de zon aan mij, die zich meer schuilhoudt achter de wolken dan ik zelf. Ik durf al eens buiten komen, mijn grenzen te verleggen.

Er moeten wat toegevingen zijn van alle partijen. Dus ook van de kijkers die hun wenkbrauwen beter trainen dan hun knokige knieën. Terwijl de ene wenkbrauw neerwaarts gaat en de andere synchroon opwaarts, lachen de eigenaars elkaar toe. Ik ben blij, toch een enkele glimlach te ontwaren op de zeedijk die toch een plek van algemene vreugde zou moeten kunnen zijn.

Verbloemen of gewoon bloemen.

De bloemenmeisjes die het podium betreden om de winnaars te kussen. Dat was mijn grote doel om een fiets aan te schaffen. Terwijl iedereen voor de buis hing, met een pint in de hand, luisterend naar de landschapsbeschrijvingen, ging ik fietsen. Nostalgisch denk ik er aan terug. Familiaal. Verruimend. Iconisch. Episch zou het woord in deze tijd zijn.

Ik heb de testrit van de ronde gereden, in enkele dagen weliswaar. Schoon eigenlijk. Ik ben geen geoefend fietser. Ik weet waar de pedalen staan. Ik ken de volgorde van handelingen. Meer leek mij niet nodig. Of ik de finish op tijd zou halen durfde ik niet in te schatten. Rijdend plassen ook niet. Daarvoor ben ik gestopt onderweg. Ik heb mijn tijd genomen, ik kon echt van het landschap genieten. Een glooiend landschap met een opkijkende kerktoren, wat verdwaalde kippen, paardenbloemen en distels.
Daar stond ik in.
Ik was gelukkig al over de helft. Toch wel nog de helft dus. Met van die distelbeetjes in de benen. Krabben en fietsen, geen overwinnende combinatie. Stampen. Krabben. Stampen. Krabben.

De bloemenmeisjes kon ik in ieder geval vergeten. Misschien. De kilometers die al in de benen zaten wilden zich niet laten kennen. Dus ging ik door. Ik stopte opnieuw. Ik herinnerde me een goeie raad van mijn oma. Pipi helpt het jeuken stoppen.
Ik had nog wat over en probeerde, tegen de wind in.
Heerlijk. Het hielp. Ik plukte wat wilde bloemen rond mij, sprong op de fiets en zocht een bloemenmeisje.

Olympisch vendelen

De Vlaamse vlag weegt lichter dan de Belgische. Moet de reden zijn dat de Vlamingen het zwaaien beter onder de knie hebben. Ik beken dat ik het vendelen maar één keer geprobeerd heb. Een activiteit van de KLJ, ik was zestien. In het kader van een oogstfeest. Je kent dat wel. In augustus halen ze de tarwe, mais of andere gewassen binnen en dan is er feest op het platte land met kermissen, tenten, orkesten, fanfares en de vlaggen! Van het land, de provincie, de gemeente en het dorpsschild.
Op muziek, in formatie en in uniform zwaaide ik met een grote neutrale vlag. Kleurig en kleurloos tegelijkertijd. Vooraan de ervaren vendeliers. Achteraan fietsten de beginners, volgelingen, het peloton en ik.

Over peloton gesproken. Overal langs Vlaamse wegen komt men al eens een koerswedstrijd tegen. Met een grote samenhorigheid staan de verschillende supporters langs de kant van de steenweg of het patattenveld. In vol ornaat overtuigend te vlaggen. Op de luchtbeelden kan ik dat goed zien. Duizenden gele vlagjes, een groene vlag op kop, een rode aan het gat. Dichter kom ik niet. Ik durf niet naar de koers te kijken langs de weg, met mijn gebrek aan ervaring. Ik mag er niet aan denken dat mijn amateurisme de reden is dat een fietsende volksheld de controle verliest en de straatstenen boven de finish moet kiezen.

Thuis neem ik de verantwoordelijkheid voor mijn handelingen. Een dweil halen voor het omgestoten bierflesje. De stofzuiger optrommelen om de borrelnootjes terug in het gareel te krijgen. Een stok in de wielen steken, doe ik enkel om het vehikel af te sluiten tegen diefstal.
Ik zou niet meer met mezelf kunnen leven. Ik bewonder al die supporters die het lef hebben dit wel te doen. Zonder enige schroom staan zij dicht bij hun helden. Nonchalant, zonder zorgen. Snel een duwtje in de rug of een positieve tik op de poep van hun favoriet. Het is schoon om te zien. Op televisie.

Als we het vlaggen nu een sportieve discipline noemen. Kunnen wij, Belgen misschien een grote stap dichter bij medailles op de Olympische spelen komen. De Vlamingen zijn alvast geoefende lichtgewichten. Ik haal een Belgische vlag en begin te oefenen. Direct het zware geschut. Goed voor de armspieren. Ik zoek het best een open plek. Niet in de living of in de kelder, daar gebeuren de ongelukken. Als ik buiten train, kan iedereen gelijk mee doen. Als het kriebelt moet je sporten. Op een gezond en winnend België!

 

Magnetische danssensatie

Dansmuziek is afkomstig uit de moderne geneeskunde. Bedacht ik me tijdens een kort verblijf onder een magnetische scanner, NMR of MRI genaamd. Mijn knie had op een enthousiast actief moment tijdens de lancering van mijn zeer korte danscarrière beslist in elkaar te zakken, waardoor in een soort sneeuwbaleffect mijn elleboog uit de kom werd gekatapulteerd. Dat laatste herstelt. In een knie kijken vraagt wat meer expertise. Als jongen wou ik al zo’n bril waarmee je door de kleren van de meisjes kon kijken. Niet te krijgen in de handel.

‘Een kleine 15min niet bewegen’ zei de verpleger. Bewegen zou er kunnen voor zorgen dat ik gestraft werd en opnieuw moest beginnen, maakte ik mezelf wijs. Probeer met die gedachte maar eens stil te liggen. Het draagvlak waar ik op lag, schoof in een witte koker, zoals je wel eens in één of andere sciencefiction film hebt gezien waar ze onderzoek doen op buitenaards leven. Waar dat wezen dan in uiteenspat. Lig stil en negeer het, hoorde ik mezelf denken.
Een koptelefoon kreeg ik ook, weliswaar zonder muziek.

Toen kwam het. Ik waande me backstage op Tomorrowland. Het kon in principe overal zijn, op een toilet in een danscafé of gewoon net buiten het feestgedruis. Dat moment dat je onrechtstreeks verbonden bent met een muziekinstallatie waar gedanst wordt op techno of house. Muziek gebrouwen door elektronische apparatuur. Datzelfde gedreun.

Doffe bassen en vreemde frequenties golfden ritmisch door de ruimte. Eerst traag voor de openingsdans, daarna sneller als de sfeer er in kwam. Ik voelde mijn lichaam dat dans idee wel aannemen. Een pintje pakken aan de bar. De toon was gezet, ik miste enkel nog wat melodie. ‘Niet bewegen’ galmde plots door mijn hersenpan. Het was dan ook nog zeer vroeg in de ochtend. Bij het openen van de ogen werd ik onmiddellijk terug geconfronteerd met de locatie waar ik mij bevond. Een steriele witte ziekenhuiskamer.

Het eerste levend weefsel zou gescand zijn in de jaren ‘70. Het is goed mogelijk dat Derrick May een hersenscan heeft gehad voor hij in de jaren ‘80 zijn eerste technoplaat uitbracht.

 

try out

Ik twijfel nog even wat mijn eerste bericht zal zijn. Twijfelen is goed denk ik. De pagina is gemaakt, nu nog inhoud. Hoe moeilijk kan het zijn. Dus binnenkort. En dan misschien meer. Of minder. Komt die onzekerheid er terug. Misschien of niet. Dus Binnenkort. Binnenkort dus. Binnenkort.